Overdenking

…onbekommerd en zorgeloos

MariusMarius van Dokkum ©2021 Art Revisited, Tolbert NL

Dansje in de kerk

Wellicht kent u de kunstschilder Marius van Dokkum (1957). Zijn werk is te bewonderen in het Marius van Dokkum Museum in Harderwijk. Eén werk van hem zie ik elke dag. Het staat, ingelijst en wel, in mijn boekenkast. Het is ontzettend fijn dat er toestemming is verleend om het bedoelde schilderij in ons kerkblad te mogen afdrukken. Je ziet een deel van een ietwat sombere kerkzaal; een hoge kansel met daarop een dominee met een bril en een kaal hoofd en een witte bef, een paar banken met kerkgangers, het orgel en de organist op de balustrade, en aan het plafond een kroonluchter. De gezichten van de mensen staan zorgelijk en moe, en verstoord, streng ook. Afwijzend. Ik denk dat die mensen echt veel zorgen hebben en moe zijn. Maar hun afwijzende uitstraling wordt duidelijk veroorzaakt door het kind. Een meisje. Ze is hooguit een jaar of drie, vier. Ze draagt een helderrood truitje en ze danst. Haar vrolijkheid spát er van af! Haar armen in de lucht, haar beide staartjes dansend om haar hoofd. Maar de grote mensen storen zich nadrukkelijk aan haar.

Een groot contrast, die somberte en die vrolijkheid. ‘Worden als een kind’, schiet door me heen. Leven als een onbevangen kind in tijden waarin bezorgdheid en somberte hun schaduw zomaar over je dagen heen kunnen leggen. Marius van Dokkum heeft de gave om met humor een bepaalde boodschap af te geven. Op dit werk, dat de titel ‘Dansje in de kerk’ draagt, is de boodschap dat er iets niet klopt als je in de kerk zo terneergeslagen bij elkaar zit. Dat zie je natuurlijk aan het dansende meisje dat totaal niet bezig is met al die somberheid, en er is ook nog een ander detail dat die boodschap uitdraagt: de kansel die aan de muur is bevestigd, hangt hoog en er staat een dominee op, maar… er is geen trap. Hoe is hij op die kansel gekomen? Enne… hoe komt hij er straks weer áf? Dit detail, of beter gezegd, het ontbrekende detail van de kanseltrap zegt met humor: er klopt iets niet met al deze sombere zorgelijkheid.

Zelf hebben we ook zorgen genoeg. Maar bij de pakken neerzitten, somber worden, helpt ons niet van de zorgen af, integendeel. In onze gemeente mag ik veel mensen ontmoeten die daar weet van hebben. Steeds weer valt me dat op. De zorgen zijn er, die worden niet weggepraat, maar je moet verder. Het leven gaat door. Dus je kunt maar beter zoeken naar wegen om er ondanks alles het beste van te maken. Om niet de schaduw- maar de zonzijde te zoeken. Door niet te kijken naar wat niet kan, maar naar wat wel kan. Dat is precies wat het meisje in het rood met de springerige staartjes ook doet.

Maar ja. Soms is dat allemaal makkelijker gezegd dan gedaan, de zonzijde zoeken en van zelfs de meest sombere dag nog het beste maken. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op alleen eigen kracht te doen. We kunnen elkáár kracht geven, elkaar bekrachtigen. Elkaar moed inspreken. Aandacht aan elkaar besteden. En tezamen ontvangen we kracht, en moed, en aandacht vanuit ons geloof. “Kom naar Mij als je moe en belast bent, Ik zal je rust geven.”
(Matt. 11: 28).
Nu is zoeken naar de zonzijde één ding, en ook met ‘naar Hem komen’ weten we in ons dagelijkse leven nog wel raad. Want met ons gebed kunnen we te allen tijde bij Hem terecht. Maar dan! Dan krijg je rust? Ja, dan krijg je rust. Kijk maar naar het meisje, naar haar onbekommerde, zorgeloze dansje. En kijk dan vooral ook naar de plek waar haar voetjes huppelen: op een lichte plek op deze sombere kerkvloer. Nergens zie je een raam, je ziet ook geen lichtinval en geen zonneschijn; toch is die lichtbundel er die precies dáár op de vloer valt waar het meisje danst. Het meisje verstaat de kunst van het zorgeloos zijn. Omdat ze de kunst van het loslaten verstaat!

Gaan wij met onze bekommernis naar Hem, dan kunnen wij ons oefenen in loslaten zodat wij steeds meer die kunst leren verstaan. Want het loslaten van je zorgen ís een kunst, maar het is te doen. Ook onder ónze voeten verschijnt dan een bundel licht. Zelfs als de omstandigheden op z’n somberst zijn.

Maria Opgelder