Rijswijks Kerkarchief

kerkarchief

UIT HET RIJSWIJKS (KERK)ARCHIEF

SNELLE VOOR(BIJ)GANGERS
Toen ik het stukje over ‘voor(bij)gangers’ voor het vorige Kerkblad schreef, wist ik nog niet dat ook Michiel de Leeuw binnenkort een voorbijganger zal zijn. “Nu al?” reageerden sommigen. Ja, nu al. Een predikant is tegenwoordig na vier jaar beroepbaar, dus we hebben twee bonusjaren gekregen. Het kan nog sneller en in het verleden is dat regelmatig het geval geweest.
Zo vertrok de eerste gereformeerde predikant, Johannes Hendrik Frederik Gangel (1839-1908) al na 2½ jaar. Naar verluidt kon hij niet overweg met een aantal gemeenteleden. Maar wellicht speelden ook andere zaken mee: de jonge en armlastige kerk kon hem alleen dankzij sponsoring fatsoenlijk betalen en bovendien keerde hij enkele jaren na zijn vertrek naar Voorst terug in de Hervormde Kerk. Ook de opvolgende predikanten Van Lonkhuyzen en Thijs bleven maar kort in de Hofrustkerk.
Pieter Brakman (1902-1993) maakte in de Hervormde Oude Kerk de twee jaar niet eens vol. Hij was in januari 1946 uit Apeldoorn (of all places…) gekomen, waar hij de vrijzinnigen bediende. In het najaar van 1947 lezen we in de notulen van de kerkenraad al over zijn beroep naar Naarden: “Hij zegt te gevoelen in Rijswijk nog een taak te hebben, maar meent daartegenover redenen te hebben zich zeer ernstig te beraden, aangezien hem en zijn gezin de stadssfeer niet ligt. In dorpsche omgeving gevoelt hij zich meer thuis, ofschoon hij veel van wat hem lief is in Rijswijk zou moeten achterlaten.”
‘Jaja…’, hoor je scriba Lintz denken als deze hierop droogjes reageert dat volgens hem Brakmans taak net begonnen is… Maar dominee vertrekt inderdaad. En is de stad Naarden dan wel dorpsch?
In het begin van de 19e eeuw was Rijswijk een gewilde standplaats voor jonge dominees. Het was dan hun tweede gemeente en de opstap naar iets beters. Isaac Theodoor de Haan Hugenholtz was in juni 1810 uit Driebergen naar Rijswijk gekomen en overleed hier echter al op 5 april 1812 aan ‘zinkingskoorts’, 27 jaar jong. Een muursteen naast de zij-ingang van de kerk herinnert nog aan hem. Zijn opvolger Servaas Gregoor (1788-1842) was een ander lot beschoren. Hij was 25 toen hij in 1813 vanuit Hoevelaken hier kwam. Na twee jaar kon hij naar Zwolle en dat was natuurlijk een promotie. Hendrik van Heyningen (1787-1851) was al 28 toen hij uit Langerak naar Rijswijk kwam. Toen hij bedankte voor een beroep naar Dokkum, kreeg hij kreeg hier een salarisverhoging van 100 gulden per jaar. (Ik heb dat nog aan Michiel voorgesteld, komt neer op ruim € 45 per jaar, dat moet te doen zijn. Maar dat heeft hem dus niet weerhouden…) Dat geldt voor Van Heyningen trouwens ook: na vijftien jaar Rijswijk, elf kinderen (die allen in leven bleven) en minstens zestien publicaties vertrok hij alsnog, naar Meppel. Om met de dichter J.C. Bloem te spreken: Voorbij en o, voorgoed voorbij…

Ruud Poortier, archivaris PG Rijswijk