Rijswijks Kerkarchief

kerkarchief

UIT HET RIJSWIJKS KERKARCHIEF

Beroepingswerk in de 17e en 18e eeuw  dl.3

Meningsverschillen met de ambachtsheren

In het vorige stukje besprak ik de moeizame gang van zaken bij het beroep op proponent Benedictus de Graaf, die in 1731 naar Breda vertrekt. Daarna wordt Rijswijk een soort doorgangshuis. Dit wekt ergernis op bij enkele bewoners van Rijswijk. Zij moeten namelijk bijdragen aan de kosten van elke beroepingsprocedure: het ambacht betaalt voor een derde deel de kosten (de andere delen door de kerkmeesters en de diaconie). De ambachtsheren besluiten op 10 november 1738 tot een resolutie die een nieuwe predikant verplicht, aan het ambacht de kosten naar rato terug te betalen als hij binnen één, twee of drie jaren vertrekt. De beroepen dominee bedankt om deze reden. Dat spijt de heren en daarom verlenen ze ontheffing bij de voortzetting van de procedure. Maar ook de nieuwe predikant Joannes Boskoop is snel weg en dan wordt het probleem weer actueel.

De kerkenraad verzet zich hevig: Rijswijk is zo minder aantrekkelijk voor jonge, bekwame predikanten die het dorp zien als een eerste of tweede stap in hun carrière. De raad wijst er verder op dat een predikant zich niet aan een termijn hoeft te binden en dat de ambachtsheren zich niet met het werk van de kerkenraad mogen bemoeien. De vorige dominees waren inderdaad snel vertrokken, maar wisten wel een ‘aanzienlijke toeloop’ van kerkgangers te bewerkstelligen. Het waren bovendien maar twéé ingezetenen die bezwaar maakten. Waar maakten ze zich druk over? Zij wilden toch niet bekeken worden ‘als menschen die geen zeven duiten of penningen per morgen [= 0,8 ha land] voor een goed predikant zouden over hebben’?

De heren wijzen het bezwaar af en de consulenten wenden zich vervolgens namens de classis in een uitgebreid document tot de Staten van Holland. Tevergeefs, de resolutie blijft staan (‘precieselijk te reguleeren’). Het beroepingsproces loopt door dit alles achterstand op en pas na alle beraadslagingen en een vacature van driekwart jaar kan de kerkenraad verder.

In februari 1741 beroept de kerkenraad ds. Wilhelmus Huygens van Dreischor op Schouwen-Duiveland. Dat hij zes jaar zal blijven, zal de critici deugd hebben gedaan. De beroeping kost 576 gulden. Inbegrepen zijn de kosten die de kerkenraad maakt als ze de beroepingsbrief naar Dreischor brengen: vanwege ‘het slegte saizoen en groot ongemack der reyze’ duurt de tocht acht dagen. Dan liever een retourtje Echtenerbrug, want voor een goede dominee mag je best iets over hebben… Sifra, welkom!

Ruud Poortier, archivaris PG Rijswijk

Voor deze drie artikelen heb ik vooral gebruik gemaakt van de inventarisnrs. 1 en 2 uit ons archief en van stukken uit de stadsarchieven van Den Haag, Delft en Rotterdam. Ik sluit de artikelen over het beroepingswerk nu af, maar beloof u nog een mooi conflict tussen kerkenraad en ambachtsheer rond 1680.

 

DSC04625Vanaf 1688 was de magistraat van Den Haag ambachtsheer van Rijswijk. In de herenbank en boven de oude ingang vinden we het Haagse wapen.