Pastorale sectie Oud-Rijswijk

Met volle kracht voorwaarts
stil leven Het nieuwe jaar is alweer een maand oud en je merkt al een beetje dat de dagen weer wat langer worden. Gelukkig maar, want veel mensen houden niet zo van de januari- en februarimaand. Alle feestelijkheden zijn voorbij, en dan is er opeens de donkerte, overrompelend, want de lichtjes en de kaarsjes die het donker verlichtten zijn allang weer opgeborgen. Je bespeurt een komend verlangen naar weer een nieuwe lente. Naar de warmte van de zon. Naar het nieuwe leven buiten. Bij de eerste bloemetjes en bloesems breekt dat verlangen helemáál door, het kan je niet snel genoeg gaan. Zelf heb ik dat ook, en ik verbeeld me dan dat het niet alleen een realistisch, concreet verlangen naar voorjaar is, maar ook een symbolisch verlangen.  Het komt voort uit het vaste ritme van het Kerkelijk Jaar: Pásen komt er aan! Weliswaar duurt dat nog twee en een halve maand, maar toch. En bovendien: de Veertigdagentijd begint al op 26 februari. Vroeger heette dat Lijdenstijd. Wanneer is die benaming eigenlijk verdwenen?

Zoals het feest van Pasen wordt voorafgegaan door een periode van inkeer en bezinning op lijden dat aan leven verbonden is, zo is het misschien ook wel zo met de tijd die ligt tussen januari en de eerste tekenen van het nieuwe voorjaar. Je moet eerst ergens doorheen om er te komen. En je kunt dan twee dingen doen. Je kunt ervoor kiezen je te verzetten tegen kou en donkerte. De dagen gaan dan voorbij in geknies en gesomber. Maar je kunt ook kiezen om je te laten verwarmen door het leven zèlf, het leven dat onstuitbaar komt. Zo kunnen we ook beginnen aan de Veertigdagentijd. Niet als aan een periode van afzien, maar als een periode van toeleven náár.

Ik heb voor u alvast een eerste bloesemtakje in een vaasje gezet. Er zijn er nog twee leeg. Die kunt u wellicht zelf vullen. En kijkt u eens naar het prachtige licht dat op die bloesemtak valt! Het zal u bekrachtigen in de keus om op volle kracht voorwaarts te trekken. Het Leven trekt met u mee!
Maria Opgelder

In Memoriam Jopie van der Kooij 
27 augustus 1919 – 21 december 2019
Meer dan een eeuw oud is ze geworden, mevrouw Johanna Maria van der Kooij-van der Wees. Van oorsprong Delftse, dochter  van een grote transporteur. Voor geen kleintje vervaard, voedde zij hun zeven kinderen op in een vrij kleine woning aan de Da Costalaan.
Mevrouw van der Kooij liet zich kenmerken door structuur en discipline en daarbij hoorde dat ze kon delegeren, dirigeren. Een leergierige dame die best verder had willen studeren en tot op het laatst een excellent geheugenhad. Ze hield van literatuur. “Als ik niet meer kan lezen, moet ik maar doodgaan,” was een uitspraak van haar. Op de (dames) boekenclub nam ze het voortouw als men verlegen zat om een nieuw boek te lezen. Haar schoondochter had ook een boekenclub en die ideeën deelde ze dan.
Bij de structuur hoorde ook de blijheid- het vieren van de dag om tien voor half vijf een portje, haar korte pittige lach. Bij het vieren van verjaardagen was ze niet karig: er werd ruimschoots gegeten en gedronken. Dat had ook een doel: de gemeenschap van haar grote gezin in stand houden en zij wist alle, alle namen van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.
Het moge duidelijk zijn dat deze vrouw behoefte had aan een weerwoord, tegenspraak. In  de dankdienst in de Oude Kerk spraken we over Lucas 2: 40-52 – de jonge
12-jarige Jezus die zijn moeder van repliek dient: “Wist u niet dat ik moest zijn in de dingen van mijn Vader?” Dit stukje Lucas is een miniatuur van het evangelie. Jezus, God die ons weerwoord geeft, vragen stelt bij ons leven.  Zij -Jopie- had zijn weerwoord nodig. Zij wist dat daarachter de grote liefde zat, de liefde van zijn Vader.  Wij hebben haar in de aarde gelegd waarbij werd gesproken: “Gedenk dit leven God en verzamel haar naam bij de namen van uw getrouwen, wij houden voor ogen Jezus Christus, eerste van ons allen die U nu al kent van aangezicht tot aangezicht.”
Ds. Arjen Cuperus