Nieuwsbrief 32 d.d. 30 juni

duifVijftiende pastorale brief aan onze gemeenteleden

Lieve mensen,
Velen van ons hebben geleerd om God te zien als een man met een witte baard die zetelt op een hoge troon. Op vele kunstwerken wordt Hij zo uitgebeeld. Daar is niets mis mee als het jou helpt om te hart van stiltebidden én als je beseft dat je met menselijke verbeelding te maken hebt. Voor anderen vormen dergelijke beelden een obstakel op de weg van het gebed. Dit gedicht zoekt een andere weg, uitgaande van God als Heilige Geest die alles en allen bezielt. Hier lijkt sprake te zijn van een Nabijheid, van licht in alles om je heen. Van stilte ook oogwaarin je iets van een Aanwezigheid zou kunnen opvangen. Vaak worden deze twee wijzen van zien tegen elkaar uitgespeeld: God is de verheven heerser op de troon óf Hij is een zachte kracht die alles doordringt. Maar God is zo groot dat Hij (of Zij) alles tegelijk kan zijn. Hij is Iemand tot wie wij ons kunnen richten, ver boven ons verheven en toch ook ver van ons vandaan. Maar het is tegelijk Zijn Geest die dichter bij ons is dan onze eigen adem. Die we kunnen vermoeden in plant en dier en alles wat leeft. Die hart van mijn hart is en stilte van mijn stilte. God is niet óf buiten mij óf in mij aanwezig. God is God en er valt niets buiten Hem. Tegelijk valt Hij met niets samen. Ons verstand reikt daar niet toe. En dat hoeft ook niet. Want als we God zouden kunnen uittekenen zouden we geen mens meer zijn maar een engel in de hemel. Als we opnieuw willen leren bidden kan het helpend zijn om het beeld van God als Geest die ons nabij is ook in ons toe te laten. Als ik bid mag ik mij voorstellen dat God woont in de diepten van mijn hart. Want anders zou ik niet eens kunnen bestaan. En terwijl ik langs het water loop kan ik Hem vermoeden in de moederlijke zorg van de fuut voor het jong op haar rug. Maar begrijpen kan ik het niet. Want morgen wordt het jong misschien gegrepen door een hongerige reiger. Ik zal niet zeggen dat alles wat leeft een stukje God in zich draagt. Want Hij bezielt ons maar wordt geen deel van ons. En gaat ver boven ons uit. Bidden vraagt om eerbied maar ook om vertrouwelijkheid. Beide kunnen we tegelijk leren beoefenen. Al biddende ontwikkelen we onze eigen unieke relatie met onze God. Nu eens zal de eerbied meer accent krijgen en dan weer de vertrouwelijkheid. Maar één ding is zeker: Omdat God God is en wij mens kunnen wij Hem niet beheersen. En niet in kaart brengen. Bidden vraagt om overgave, ook als we niet zien. En om toevertrouwen terwijl we niet weten.

Hartelijke groet, ds. Susan Karreman

 

Deze nieuwsbrief is ook te downloaden 200630-PGR-nieuwsbrief 32 dd 30 juni
voor verdere verspreiding.