Pastor

Lieve mensen,
Als dit kerkblad verschijnt, medio juli, breekt net de periode van de zomervakantie aan. Terwijl ik dit schrijf is het nog maar 30 juni. Zelf ben ik dan net één dag terug van weggeweest. Marten Jan en ik hadden een fijne vakantie in Friesland; en de hervatting van de zondagse Erediensten in de Nieuwe Kerk en de Oude Kerk staat voor de deur, op zondag 5 juli, bijna vier maanden sinds het coronavirus toesloeg. Het is altijd een raar gevoel om zo lang vooruit te denken bij het schrijven van de stukjes voor het kerkblad. Het voelt dan een beetje als een kloof die overbrugd moet worden tussen het moment van schrijven en het moment dat u of jij het zult lezen.
Maar kloven in de tijd bestaan niet. Tijd voegt zich aanéén: gister wordt naadloos opgevolgd door vandaag, en vandaag ontwikkelt zich vanzelf tot weer een nieuwe morgen. Daarom kan vakantietijd, noch het ‘halt!’ dat corona aan onze Erediensten toeriep, een kloof in onze tijd veroorzaken. Niemand zal mij horen zeggen dat je het niet toch als kloof zult kunnen voélen. Als je vier maanden niet naar de kerk kon gaan op zondagmorgen, of op andere momenten van de week naar andere kerkelijke activiteiten, dan kan dat immers heel goed voelen als een groot en gapend gat, waarin je isolement, eenzaamheid of verlatenheid hebt kunnen ervaren. Dat is voor niemand leuk.  De vraag is alleen, of hoe het voélt, ook is waarop je blind moet vertrouwen.
Geloof ís vertrouwen. Geloof komt niet altijd overeen met wat je voelt. Je kunt je van God en mensen verlaten voelen en toch je geloof bewaren en vertrouwen dat je nooit alleen bent omdat er altijd Eén is die ziet. Jou ziet. Je kent, doorgrondt en begrijpt, ook als je niks van jezélf begrijpt. Of van het leven niks meer begrijpt. Dat geloof, vertrouwen, zorgt voor verbondenheid: het verbindt ons aan een werkelijkheid waarin werkelijke veiligheid en geborgenheid bestaat. Een continuüm in het verborgene.
Niet dat er ook maar iets mis is met dingen die je voelt, ook niet als je daar blind op wilt vertrouwen. Maar het bewust centraal stellen van dat continuüm van geborgenheid in het verborgene is een geloofshandeling, een geloofsdaad, die ons kan helpen om de breuken waarmee het leven ons allen confronteert, tegemoet te treden: met opgeheven hoofd en een opgeheven hart. Ook als wij in onze erediensten op gepaste afstand van elkaar moeten blijven en elkaar niet eens mogen aanraken, ja zelfs als we niet eens samen het loflied letterlijk gaande mogen houden. Want het loflied dat door ons gaande gehouden wordt, en dat ons staande houdt, is het loflied in ons hart, in het verborgen continuüm.
We blijven verlangen naar nabijheid en naar samen zingen. En als dat weer kan en mag, zal menigeen van ons zijn of haar tranen niet de baas kunnen. Ook ik niet, dat weet ik nu al. Ook de Eeuwige mist onze stemmen, denk ik. Maar nóóit mist hij de grondtoon in ons hart. Laten we dáár dus samen zingen, elke dag een lied in ons hart, dat opstijgt tot God die in het verborgene ziet en hoort!
Maria Opgelder