Pastor

Veertigdagentijd
Als u dit leest is de Veertigdagentijd net begonnen. We gaan een periode tegemoet, een tijdsbestek van inkeer en bezinning, tot aan die ene morgen, Paasmorgen, de morgen dat blijkt dat de werkelijkheid geheel anders is dan we hadden gedacht. Onze voorbereiding daarop vergt zonder twijfel de nodige tijd. En die tijd hebben we vanaf 26 februari tot aan de nacht die voorafgaat aan Paasmorgen, dit jaar op 12 april.

In die periode van inkeer en bezinning richten we ons op het lijden van Christus. Zijn lijden is voor ons moeilijk te bevatten. En als we er al iets van durven te bevatten, dan is dat vrijwel ondraaglijk. Het is een lijden geweest dat diep onder ons menselijk lijden door gaat, dieper dan ons diepste eigen lijden. En juist dát helpt ons om in de voor ons liggende periode ons te bezinnen op ons eigen leed. Ook dat kunnen we soms niet echt goed aan. We voelen ons dan geknakt. Of totaal verloren. Of letterlijk waardeloos. Weerloos.

Maar juist in onze weerloosheid komt Christus ons tegemoet. Want was Zijn weerloosheid niet een ultieme weerloosheid? Heden: “Hosanna!”. Morgen: “Kruisig Hem!” Dat betekent dat Hij de beide uiteinden van het leven kent. Toch reed Hij niet als een almachtige koning, maar op nederige wijze, op een ezel, door de mensenmenigte – die toen nog “Hosanna” riep. Toen de stemming honderdtachtig graden omsloeg, blééf Hij zichzelf en droeg zijn kruis op zijn eigen schouders.

Weerloos zijn wij als het leven ons velt. Als een geliefde ons ontvalt. Als wij opeens zeer ernstig ziek blijken te zijn. Of als we langzaam maar zeker aan zóveel beperking en verval van krachten ten prooi zijn geraakt dat we opeens niets meer kunnen. Of als we ten diepste worden bedrogen of verraden. Gister juichte het leven ons nog toe. Maar vandaag… vandaag is alles opeens anders, het hele leven staat op z’n kop. Hoe moeten, hoe kúnnen we daar in Godsnaam dan mee omgaan?!

Wanneer wij veertig dagen de tijd hebben om ons op die vraag te bezinnen, dan komt Christus niet alleen óns tegemoet op zijn ezel, maar gaan wij misschien ook Hém tegemoet. Al is het maar voor een stukje. Voor éven. Dat is al een stap in de goede richting. Want we gaan dan zien dat al ons eigen leed gedragen wordt in dat van Hem.

Niet dat ons leed daarmee verdwijnt als sneeuw voor de zon. Absoluut niet! Maar wel geeft het ons kracht! Om door te gaan, dwars door alles heen, in het geloof dat WIJZELF dan uiteindelijk, op Paasmorgen, aan dat graf staan en het leeg blijkt te zijn. Met eigen ogen aanschouwen we een werkelijkheid die ónbestaanbaar leek: er is een “voorbij” gesproken! Voorbij leed en angst en pijn en verdriet. En die onbestaanbare werkelijkheid werd bestaande werkelijkheid: “Het duister zal wijken voor Gods heerschappij; wij zullen opstaan, net als Hij.”

Die werkelijkheid komt er aan. Daar leven we naar toe. Vanuit dat perspectief bezinnen we ons op het leven in alle facetten. Vreugde en verdriet, lief en leed. Want voorbij de uiteinden van elk mensenleven is er het opstaan.

Dat is geloofstaal. Voor wie werkelijk geloven kan dat het licht schijnt. Juist in de duisternis, als je er het meest om verlegen zit!
Maria Opgelder