Maria’s lofzang

Maria’s lofzang op muziek van Heinrich Schütz
In de dienst op zondag 23 december, de vierde adventszondag, in de Nieuwe Kerk zingt vocaal ensemble Moteta deze lofzang van Maria in de aansprekende toonzetting van Heinrich Schütz.

Lucas vertelt hoe Maria, na het bezoek van de engel Gabriël, haastig op reis gaat naar haar familielid Elizabet. Beide vrouwen zijn in verwachting, terwijl dat eigenlijk niet zou kunnen: de ene te ongerept, de andere te oud. In de Bijbel is zo’n wonderlijk levensbegin een aankondiging van een leven waarmee God een heel speciale bedoeling heeft. Elizabet verwelkomt Maria met door de Geest vervulde woorden en Maria antwoordt met een loflied.
Dat lied lijkt qua structuur en inhoud op de psalmen zoals die in Israël werden gereciteerd. Anders dan de coupletliederen die wij gewend zijn rijmt de tekst niet en past die niet in een vast metrum, maar de zinnen rijmen inhoudelijk op elkaar.
De tekst van deze lofzang van Maria heeft in de loop van de geschiedenis veel mensen aangesproken en heeft een vaste plaats gekregen binnen de getijdendiensten van klooster en gemeente, ook na de reformatie. Ook in de advent past deze lofzang. Veel componisten hebben toonzettingen voor deze woorden geschreven.
Heinrich Schütz wil, in de geest van Luther, met zijn geestelijke muziek het Woord verkondigen en doet dat door dicht bij de tekst te blijven, deze uit te beelden en beleefbaar te maken. Dat gebeurt ook in ‘Maria’s Lobgesang’. Een paar voorbeelden hiervan:
‘Meine Seele erhebt den Herren’: het woord ‘erhebt’ (verhoogt) wordt een aantal keren herhaald, steeds hoger.
‘Und mein Geist freuet sich Gottes meines Heilandes’: het ritme van ‘freuet sich’ (verheugt zich) maakt een huppeltje. De tekst klinkt eerst polyfoon (canon-achtig) en wordt daarna verstaanbaar, homofoon, herhaald.
‘Alle Kindeskind’: uiteraard wordt het woord ‘alle’ een aantal keren, in toenemende intensiteit, herhaald.
‘Er übet Gewalt mit seinem Arm’ klinkt krachtig en verstaanbaar, maar bij ‘er zerstreuet’ wordt de tekst als het ware door het koor verstrooid.
‘Er stösset die Gewaltigen vom Stuhl’ heeft een krachtig ritme en wordt nog krachtiger homofoon herhaald.
‘Und erhöhet die Niedrigen’: ‘erhöhet’ (verhoogt) gaat van laag naar hoog, ‘die Niedrigen’ (de nederigen) van hoog naar laag, maar eindigt na mineur op een majeurakkoord (de G wordt verhoogd tot een Gis)!
‘Die Hungerigen füllet er mit Gütern’: het ritme versnelt en wordt dans-achtig, ‘füllet’ (vervult) wordt in herhalingen uitgebeeld, uiteindelijk komen alle stemmen samen in een ritmisch sterk motief, een zogenaamde hemiool en eindigen in een majeur-akkoord.
‘Und lässt die Reichen leer’: Eerst ijl in alleen de vrouwenstemmen, eindigend op een ‘kale’ enkele toon, daarna alleen de mannenstemmen, dan samen met een dissonant op ‘Reichen’ en een afsluiting op een akkoord zonder terts, een lege kwint dus, op het woord ‘leer'(leeg).
De sfeer van barmhartigheid wordt in de harmonie opgeroepen en we horen hoe Israël stap voor stap overeind geholpen wordt.
‘Abraham’ klinkt één keer door allen tegelijk uitgesproken, daarna wordt zijn talrijke nageslacht in een veelheid van nootjes en muzikale lijnen weergegeven.
In het afsluitende deel, de doxologie, wordt ‘Ehre sei dem Vater und dem Sohn’ breed neergezet, de Geest horen we uitwaaien in spannende harmonieën.
Bij ‘von Ewigkeit zu Ewigkeit’ klinken weer alle stemmen samen in een overtuigend hemiool-ritme, terwijl in het ‘Amen’ de stemmen speels door elkaar weven.
Janey Keuning- van Dam.