Cantate in de Nieuwe Kerk

Van Johann Sebastian Bach wordt uitgevoerd:
‘Was Gott tut, das ist wohlgetan’ (II), BWV 99

De medewerkenden zijn:
Kitty Lai Ngok-Man, sopraan
Anja Schulze, alt
Scott Wellstead, tenor
Klaas Aantjes, bas
Kleinkoor Cantemus Cum Corde
Instrumentaal ensemble
o.l.v. cantor-organist Philip Meijer
Voorganger: ds. M. de Leeuw

Een internationaal gezelschap van barokspecialisten speelt op 12 mei op het koorpodium in de Nieuwe Kerk. En dat is voor mij een groot genoegen. Ze spelen op barokinstrumenten die een halve toon lager klinken. Daar merkt u niet veel van, behalve dat de klank iets anders is en vaak milder. Ze studeren, na een afgeronde studie in hun land van herkomst, nu in Den Haag voor master in Oude Muziek.
De keuze voor deze bezetting heb ik gemaakt om te zoeken naar een klank zoals Bach die kende. Misschien vinden we zo ook een nog betere balans tussen koor, solisten en orkest.
Het kistorgel – inderdaad een orgeltje in een soort kist – maakt het mogelijk om te spelen en te dirigeren. Bovendien is het natuurlijk geen optie om het grote orgel met ruim 1000 pijpen een halve toon lager te stemmen.
De cantate “Was Gott tut das ist wohlgetan”, BWV 99, is
 gebaseerd op het lied van Samuel Rodigast met de melodie van Severus Gastorius (1690).
De (II) achter de titel wijst op het feit dat deze cantate de tweede is van drie cantates met dezelfde titel. Het zegt alleen niets over de volgorde waarin ze zijn gecomponeerd. Versie I verscheen in 1727, II in 1724 en III, tien jaar later in 1734.
Verzen 1 en 6 van het oorspronkelijke lied vormen de hoekdelen van deze cantate. De overige verzen zijn bewerkt om te kunnen worden gebruikt als recitatief of aria.
We vinden het lied in een vertaling van Jan Wit (naar een eerdere vertaling van Petronella Moens) ook terug in ons huidige liedboek onder liednummer 909 (Wat God doet dat is welgedaan). Alleen zijn daar slechts drie van de zes verzen geplaatst. Zowel tekst als melodie zijn eeuwenlang zeer geliefd gebleven.
Deze cantate heeft net als het lied zes delen. Het stuk opent heerlijk opgewekt waarbij de strijkers in hun vrolijkheid geregeld nog worden overtroffen door het trio viool, oboe d’amore en traverso. De sopranen van het koor komen daar even later nog weer met volle overtuiging overheen met de melodie van het lied. Bach laat de overige koorzangers steeds iets later inzetten. Maar die halen de sopranen in om iedere zin eensgezind te beëindigen. Geniet ook van het vrolijke anapest-ritme (pa-pa-dam / kort-kort-lang) dat als een uitbundige galop door het stuk danst.
Het bas-recitatief (deel 2) legt uit dat Gods vaderhart geduld heeft als je een ramp overkomt. Uiteindelijk zal hij op ondoorgrondelijke wijze redding brengen (… mein Unglück wenden). Dat ‘wenden’ wordt met een arioso (veel begeleiding en weer ‘netjes in de maat’) uitgebeeld door de vele onverwachtse richtingen waar de melodie heengaat.
De fluitiste heeft in het duet met de tenor (deel 3) een razend moeilijke partij. De mens wordt aardig door elkaar geschud in dit deel. Vertwijfeling klinkt door. De lange noten van de traverso die uiteindelijk chromatisch (met halve tonen) daalt, beeldt het moedeloze uit. De tenor laat de verwarring horen met schokkerige noten en zingt tegelijk juist ‘wees niet geschokt’ (Erschüttre dich nur nicht). Heel sterk vind ik hier dat de muziek de tekst eens niet ondersteunt in de boodschap maar wel in woorden waar die boodschap over gaat. Een soort contrapunt tussen tekst en muziek.
In het alt-recitatief (deel 4) geven smekende akkoorden de vertwijfeling aan, maar geeft de tekst toch net als in deel 2 aan dat aan het eind van het lijden en dus ook aan het eind van dit recitatief Gods trouw verschijnt (Gottes treuer Sinn erscheinet). Hoor hoe prachtig en veelbelovend dat klinkt in het arioso, waar dit recitatief mee eindigt.
De intrigerende aria (deel 5) vormt niet alleen een duet tussen sopraan en alt, maar ook tussen fluit (traverso) en hobo (oboe d’amore), en dan ook nog tussen instrumenten en zangers. Dat weefsel van die vier stemmen wordt ondersteund door het rustgevende ritme van de basso continuo (orgel en cello). Rustgevend? Horen we hier niet juist ook de voetstappen van Jezus die het kruis naar Golgotha draagt? Ik laat het graag aan de luisteraar. De duetten klinken zó liefelijk. Alsof ze elkaar willen omarmen in hun verdriet.
Met het slotkoraal verdwijnt de twijfel en het verdriet en komen we weer met beide voeten op de grond. Terug bij dat mooie lied, dat we in deze dienst ook gezamenlijk zullen zingen onder begeleiding van het orkest.

Philip Meijer