Afscheidspreek

Tijdens de afscheidsdienst op 6 oktober deed de geluidsinstallatie het niet. Ik weet dat een aantal mensen thuis de dienst wilde meeluisteren, maar dat niet kon.
Hieronder de preek van 6 oktober jl.  Hartelijke groet, Michiel de Leeuw

Preek bij 1 Samuel 24 : 1 – 23 en Lucas 17 : 1 – 6

 Gemeente van Christus,

Het voelt een beetje onwerkelijk om u vandaag voor de laatste keer zo toe te spreken. Als gemeente van Christus. Nou ja, ook weer niet helemáál voor het laatst.

Want uit schuldgevoel over mijn vertrek naar Apeldoorn heb ik voor vólgend jaar alvast twee preekbeurten toegezegd, één in de Oude en één in de Nieuwe Kerk. ’t Is ook een kleine geste naar Huibert, die zijn preekrooster voor 2020 in een oogwenk in een gatenkaas zag veranderen.

Maar goed.
Gemeente van Christus, het dilemma van David is er één op het scherpst van de snede. Het is een kwestie van leven of dood. Het is zo’n moment in je leven, waarop je gevormd wordt. Waarop je een keuze maakt die allesbepalend is. Allesbepalend voor de afloop. Én voor wie je zelf na afloop zult wórden.

David is op de vlucht voor Saul. Als een soort partizanenleider verschuilt hij zich in de bergen, met een legertje van 600 man. David is de gezálfde, uítverkorene Gods voor het koningschap. Maar die belofte hangt voorlopig nog in de lucht.

Want David moet vluchten voor een éx-gezalfde. Koning Saul, die óók ooit was uitverkoren, maar die zijn uitverkiezing niet waar kon maken.

Saul is een koning in verval, die alleen nog leeft op de brandstof van achterdocht en paranoia, van haat en machtshonger en jaloezie, kortom: angst.

En Saul is in de achtervolging. Hij jaagt David op als een gewond dier, vastbesloten om hem uit de weg te ruimen. Drieduizend van zijn beste soldaten heeft hij daarvoor gemobiliseerd. En het net sluit zich.

Saul komt dichterbij, dichterbij dan hij zelf in de gaten heeft. David heeft zich met zijn mannen verborgen in een diepe grot. En uitgerekend díe grot – van álle grotten –  kiest koning Saul uit om zich even alleen terug te trekken. Om zijn behóefte te doen, zoals er weinig verhullend in de Nieuwe Bijbelvertaling staat.

Tja, koning, keizer, admiraal, Popla gebruiken ze allemaal. Maar als koning moet je je toilet wél zorgvuldig uitkiezen. En dus niet een grot met een publiek van 600 partizanen die toekijken vanuit de duisternis.

Maar dit is voor David wel een óngedachte, uítgelezen kans, om zich van Saul te ontdoen. Zijn vervolger. Zijn concurrent om het koningschap. Zijn vijand krijgt hij hier op een presenteerblaadje aangeboden.

Dat hebben zijn mannen al direct in de gaten. “Dit is je kans!” zeggen ze tegen David. “Dit is het moment waar de Heer op doelde toen hij zei: ‘Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt.’”

Maar Dávid weet: met Góds bedoelingen moet je altijd voorzichtig zijn. Gods wil is geen massief gegeven, en al helemaal niet op voorhand duidelijk. Daar moet je terughoudend in zijn. Je moet de geesten onderscheiden. De verschillende stemmen uit elkaar houden. Om Gods stem te kunnen ontwaren.

David heeft een dilemma. Hij kan zijn vijand uit de weg ruimen, zijn hachje redden. Dat is een simpele rekensom. Maar hij wil óók rekenen met God. Met dát wat heílig is in het leven. Zoals een mensenleven.

Want ook Saul is de gezalfde. Ook hij is een mens door God gekozen, door God geliefd, met God verbonden. Ook al heeft hij die keuze niet waargemaakt en zal hij zijn troon verliezen. Hij blíjft de gezalfde, al ís hij verworpen.

En dus besluit David op dat beslíssende moment om Saul níet te doden. Om te kiezen voor het léven. Voor de ménselijkheid. En om Saul vervolgens te confrontéren met die keuze.

En als Saul de lap stof van zijn eigen mantel ziet in Davids hand en hij zich realiseert wat er gebeurd is, zegt hij: “Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt?”

Misschien is die retorische vraag wel de hámvraag. “Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt?” Wie is zo gek om dat risico te nemen?

Het deed me denken aan een scène uit de oorlogsfilm Saving Private Ryan. Daarin speelt Tom Hanks de rol van kapitein Miller, die commandant wordt van een kleine Amerikaanse legereenheid. Zij worden op een speciale missie gestuurd achter de vijandelijke linies. Om de vermiste soldaat Ryan te vinden en te redden.

Kapitein Miller laat niets los over zijn privéleven thuis in Amerika en de groep heeft dan ook al gauw onderling een weddenschap. Ze doen allemaal geld in de pot en degene die als eerste iets te weten komt over de achtergrond van de commandant, die wint het geld.

Op hun missie stuiten ze op een Duitse bunker met een radarpost. Ze besluiten om die aan te vallen. De aanval slaagt, maar een van hun makkers raakt dodelijk gewond en sterft in hun armen.

Het wordt kapitein Miller even teveel. Hij zondert zich af en laat zijn tranen de vrije loop. Maar dan ontdekken zijn mannen een Duitse soldaat die de aanval heeft overleefd en die zich overgeeft. Maar de soldaten willen wraak nemen voor hun dode makker.

Er ontstaat discussie of ze de Duitse soldaat mogen doodschieten. Een krijgsgevangene mag je niet doden. Maar ze kunnen hem niet als gevangene meenemen, want ze zijn op een speciale missie. Maar als ze hem laten gáán, dan kan hij door de vijand opnieuw in de strijd worden ingezet. Een klassiek dilemma.

Kapitein Miller besluit dat ze de gevangene tóch vrijlaten. Maar een aantal van de mannen protesteert tegen dit besluit en die krijgen onderling slaande ruzie. Dat loopt helemaal uit de hand, ze staan schreeuwend tegenover elkaar met getrokken pistolen.

En het is op dát kritieke moment dat kapitein Miller zijn mannen vraagt: “Hoeveel zit er eigenlijk in de pot? 300 dollar? Ik ben een schoolleraar. Ik geef Engels in een klein stadje in Pennsylvania. En ik ben basketbalcoach in de lente.”

De mannen staan perplex en de kapitein vervolgt: “Als ik thuis vertel wat ik doe, dan vindt iedereen dat logisch. Maar hier is het één groot raadsel. Ik zal dus wel veranderd zijn. Ik vraag me af of ik zo veranderd ben, dat mijn vrouw me straks niet meer herkent als ik terugkom. En of ik ooit in staat zal zijn om haar te vertellen over dagen zoals deze.”

En tenslotte zegt hij: “Met elke man die ik dood, voel ik me verder van huis.”

Dan doen zijn mannen er het zwijgen toe. Onder de indruk van hun commandant die krampachtig probeert iets van zijn menselijkheid te bewaren temidden van de waanzin van de oorlog.

En het lijkt erop alsof David hetzelfde probeert. Ook hij is geen heilige, zeker niet, maar ook hij voelt: als ik Saul dood, ben ik misschien sneller thuis, maar ben ik tegelijkertijd vérder van huis. Verder van mijn roeping, van mijn zalving, van mijn innerlijk kompas.

In zijn dilemma kiest David voor menselijkheid. Voor het leven. Voor de liefde. En dat blijkt aanstekelijk.

De menselijkheid van David roept de menselijkheid in Sául wakker. Die realiseert zich ineens hun verbondenheid. “Vader” zegt David tegen Saul. “Mijn zoon”, stamelt Saul terug en barst in tranen uit…

Is het nu een happy end? Nee. Is David nu veilig? Nee. Sauls tranen zijn van korte duur en niet lang hierna zal hij opnieuw proberen om David te doden.

Ook in Saving Private Ryan loopt het niet goed af. Aan het eind van de film duikt die Duitse krijgsgevangene weer op. Hij vecht weer mee met de vijand en het is uitgerekend díe man die een dodelijk schot afvuurt op kapitein Miller…

Hebben ze dan toch de verkeerde keuze gemaakt? David en de kapitein?

Nee. Tenminste, het hangt ervan af welk perspectief je kiest. Uit oogpunt van zélfbehoud was het niet verstandig. Hadden ze beter het zekere voor het onzekere kunnen nemen.

Maar David én de kapitein weten dat je als mens voor méér moet leven dan alleen zelfbehoud. Dat er iets hogers is, iets heiligs, dat het leven de moeite waard maakt. En dat als je dát verwaarloost, dat je dan met je zelfbehoud toch jezelf verliest.

Hier wordt een principiële keuze gevraagd: reken je met God of niet? Kies je voor het goede of voor het kwade? Ga je voor de liefde of niet?

En deze príncipiële keuze wordt ons allemáál voorgelegd. Elke dag weer, in elke situatie. En van ons ántwoord hangt het af of het met deze wereld nog goed komt.

Niet zo lang geleden las ik over een prachtig leerstuk in de joodse traditie, toepasselijk ook op deze Israëlzondag. Dat is het leerstuk van de tikkun olam. En tikkun olam betekent zoiets als: het goede redden in deze verscheurde wereld.

En hoe red je dan het goede? Niet door te wachten op ingrijpen van boven. Maar door zelf in vrijheid liefde te geven en te ontvangen. Een krachtige liefde, die zoekt naar gerechtigheid en levensbloei voor al Gods kinderen.

De joodse theologe Melissa Raphael zegt het zo: tikkun olam – herstel van de wereld – zit ‘m niet in een grote, zichtbare ommekeer. Nee, zegt zij – en ik citeer:

“Het vreeswekkende mysterie van de genade hangt precies aan het moment – aan de constellatie van álle momenten – waarop wij – en mensen die we nooit zullen ontmoeten – ja of nee zeggen tegen de liefde.”

Dat is een moeilijke zin, maar wat ze bedoelt is: op elk moment kun je besluiten om ja of nee te zeggen tegen de liefde.

En elke keer dat je já zegt, red je iets van het goede in deze wereld. Ook al lijkt de wereld de verkeerde kant op te gaan; elke beslissing van jou, die télt.

Net zoals bij David en kapitein Miller kan er in jouw keuzes een glimp van de verlossing te zien zijn, een hint van Gods Rijk, een flinter van hoop.

En is dat moeilijk? Ja, natuurlijk is dat moeilijk. Telkens weer is dat moeilijk. Als Jezus zijn leerlingen zegt, dat ze hun broeder altijd moeten vergeven, al is het 7x per dag, dan zeggen ze niet voor niets: “Geef ons meer geloof.”

Want wie kan dat opbrengen? Wie laat zijn vijand gaan, zoals Saul zegt, of heeft zijn vijand zelfs lief, zoals Jezus van ons vraagt? Wie is zo goed… of zo gek?

Maar Jezus zegt: “Als jullie geloof hadden zo kleín als een mosterdzaadje, dan kun je bomen verplaatsen en bergen verzetten. Dan kun jij het verschil maken. En íets van het goede redden in deze wereld. Tikkun olam.

En is dát niet wat wij in de kern als gemeente met elkaar proberen? Telkens weer dat mosterdzaadje van het geloof proberen te vinden, vast te houden en samen een beetje te laten groeien? Zodat er in onze keuzes een glimp van de verlossing te zien zal zijn, een hint van Gods Rijk, een flinter van hoop.

In mijn afscheidsbrief in het Kerkblad heb ik een paar van die momenten genoemd, waarop ik dat heb gezien in deze gemeente. Momenten waarop mensen ja zeiden tegen de liefde en zo iets van hoop wisten uit te stralen in deze wereld.

En ik schreef u dat ik me op die momenten realiseerde: daarom houd ik van de kerk, daarom houd ik van dit samengeraapte cluppie van feilbare mensen. Gemeente van Christus, inderdaad. Met ups en downs, maar we zíjn het wel.

En ik ben dankbaar dat Marike en ik en ons gezin zes jaren in uw midden hebben mogen doorbrengen. Ik ben dankbaar voor alles wat we samen hebben beleefd, en gedeeld en gevierd.

 

Dus, geméénte van Christus,
dank voor alles, God zij met u, en in élk geval: tot ziens.

Amen.